Honig Breethuis | Zaandijk

'Een deftigen boedel'

Het echtpaar Jacob Cz. Breet en Grietje Jans de Jager bewoonde het Honig Breethuis tijdens het tweede kwart van de 19e eeuw met hun jongste twee kinderen, Maartje en Jan. In 1830 liet Jacob Breet door de Amsterdamse behangselschilder, Willem Uppink, behangselschilderingen aanbrengen in de Tuinkamer. Achter het woonhuis werd een luchthuis gebouwd met zicht op de Zaan: de Zaankamer. Het museum toont een reconstructie van deze bewoningsfase.

Meer lezen

Fabrikeurswoning

De voormalige fabrikeurswoning aan de Lagedijk 80 kreeg op 14 december 1940 een museale bestemming als Zaanlandsche Oudheidkamer, in 1992 omgedoopt tot Zaans Historisch Museum. In 1999 werd het museumpand heringericht en omgedoopt tot Honig Breethuis.

Met de dood van Jan Jacobsz. Breet (1815-1892) kwam een einde aan de bewoning van het pand sinds 1770 door drie generaties van het papierfabrikeursgeslacht Breet. In 1893 werd bij een openbare verkoping de 'zeer kostbaar ingerichte' woning verkocht. Hiertoe behoorden ook de drie belendende panden in gebruik als keuken en bergplaats, stalling met koetsierswoning en wagenhuis.

Een deftigen en welgeconserveerden inboedel

G.J. Honig stelt dat bij zijn bezoek aan Jan Jacobsz Breet in 1888: 'De boven voorkamer nog geheel ouderwets (maar indrukwekkend) was ingericht, met een Zaans Blauw geschilderde zoldering en wagenschotbetimmering, matten op de vloer en oude meubelen, waaronder een fraai glazen zilver- en porseleinkast.' De inrichting van het Honig Breethuis is goeddeels gebaseerd op de plattegronden zoals die in 1893 door G.J. Honig zijn opgetekend. Om praktische redenen zijn het kantoor en de slaapkamer daarbij naar de eerste verdieping verplaatst. Bij de reconstructie van het interieur, zoals dat tussen 1826 en 1847 bewoond werd door het gezin Breet-De Jager, kon niet worden beschikt over de oorspronkelijke inventaris. Als vermeld is deze in 1893 geveild. Wel is bij de inrichting uitgegaan van de daartoe opgestelde boedellijst van de nalatenschap van Jan Breet, laatste bewoner en erfgenaam van het familiebezit. Deze staat omschreven als 'Een deftigen en welgeconserveerden inboedel'. Hiertoe behoorden onder meer 'Een staand horloge van bijzonder schoonen vorm met speelwerk' en 'een fraaie rijk versierde ingelegde notenboomhouten porseleinkast'. Het laatste staat, als enig resterend meubelstuk weergegeven op de plattegrond uit hetzelfde jaar als de boedelveiling.

Fraye porceleinkast

Bovendien is er in het nagelaten familiearchief een rekening bewaard gebleven van meubelmaker Pieter Uylenburg van 12 mei 1775 voor het maken van 'Een extra fraye Porcelijnkast'. Daarnaast kon gebruik worden gemaakt van een boedellijst en taxatie uit 1808 van Arent Jacobsz. Breet (1745-1807). Omdat deze kinderloos stierf, vielen verschillende van zijn familiebezittingen in handen van zijn neef Jacob Cornelisz Breet. Deze stelde in 1838 en 1845 bij notaris Donker testamenten op, waarin eveneens bepaalde eigendommen worden genoemd. Ter vergelijking is voorts gekeken naar de zeer uitgebreide boedellijst uit 1885 van de inventaris van Maartje Jacobsd. Breet (1807-1885). Zij was de jongste zus van Jan Breet en weduwe van Willem Honigh (1809-1871), tot haar dood woonachtig in het 'Groote Huis' aan de Lagedijk 146.

Familieportretten in pastel

Tot de weinige inventarisstukken die tot het oorspronkelijke familiebezit kunnen worden gerekend, behoren de familieportretten, die in 1817 door Wijnand Esser in pastel zijn uitgevoerd. De lichtgevoelige portretten worden in het Honig Breethuis omwille van behoud als reproductie getoond, zij het in de oorspronkelijke lijsten. Ook het haardscherm met ter weerszijden voorstellingen van de beide papiermolens De Veenboer en Het Herderskind moeten uit bezit van de familie Breet stammen. Verreweg de meeste overige inventarisstukken (zoals ook het porseleinkabinet en het staand horloge) zijn op basis van bovenstaande documenten gekozen uit de Collectie Jacob Honig Jansz. Jr en het Instituut Collectie Nederland (ICN). Hiermee toont het Honig Breethuis een gegoed Zaans binnenhuis, zoals dat in de biedermeiertijd werd bewoond. De vertrekken vormen geen aaneenschakeling van stijlkamers. Ze bieden een natuurlijke balans tussen huisraad uit de gekozen én voorafgaande perioden. Daarmee is een inrichting nagestreefd, zoals die door de drie generaties bewoners bijeen zouden kunnen zijn gebracht.

Maak kennis met de vroegere bewoners