Honig Breethuis | Zaandijk

Elf topstukken uit de Collectie Jacob Honig Jansz. Jr.

1. Haardscherm met papiermolens

Het 18e-eeuwse haardscherm in de Tuinkamer toont aan weerszijden een van de molens uit het papierbedrijf C. & I. Honig Breet. Het gaat hier om de molens Het Herderskind (1694) en De Veenboer (1695) [afgebeeld]. De Veenboer was al sinds 1709 in bezit van Cornelis Jacobsz. Honig (1683-1755), die kort daarop het latere Honig Breethuis bouwde. De broers Cornelis en Arent Breet zetten het bedrijf voort met molen Het Herderkind. Deze molen is tot 1852 voor papierproductie in gebruik gebleven. Daarop is de molen verkocht en tot houtzaagmolen verbouwd. Molen De Veenboer zou later worden ingericht als rijstpellerij om in 1906 te worden gesloopt.

2. Tekening van het Groote Huis

De gekleurde tekening van het aanzicht van het Groote Huis stelt het pand aan de Lagedijk 146 voor, dat in 1832 gebouwd werd voor Cornelis Kuyper. Het 'buitengewoon groot en aanzienlijk huis' was destijds een van de weinige huizen die in baksteen was opgetrokken. Het pand werd in augustus 1866 voor fl 8.000 gekocht door Willem Adriaansz. Honigh (1809-1871), eigenaar van oliemolens en echtgenoot van Maartje Breet (1807-1885), de jongste dochter uit het gezin van Jacob Breet en Grietje de Jager. Maartje trouwde op 16 september van 1832, het bouwjaar van het Groote Huis. Ze bracht zeven kinderen ter wereld, te weten: Geertje (*1833), Grietje (*1835), Trijntje (*1838), Aagje (*1840), Maartje (*1842), Jacob (*1844) en Wilhelmina (*1850). Bij het overlijden van Maartje in 1885 wordt een uitgebreide boedelbeschrijving opgemaakt. De woning kwam daarop voor f. 5.000 in bezit van Jacob Latenstein.

3. Borduurwerk van Grietje Smit

Grietje Smit (*1825) was de enige dochter van Grietje Jd. Breet en oliefabrikant Klaas Smit uit Koog a/d Zaan. Zij was tevens de oudste kleindochter van Jacob Breet en Grietje de Jager. Op haar 12e jaar maakte ze voor haar grootouders een borduurwerkje van een hond. Dit hangt in het huidige Slaapvertrek. Het jaar erop (in 1838) vervaardigde ze een borduurwerk naar een scène uit Alleen op de Wereld n.a.v. het veertigjarig huwelijk van haar grootouders. Dit borduurwerk is verwerkt in het speeltafeltje in de Tuinkamer. Door Jan Jz. Breet, de jongste broer van haar moeder, was de laatste telg van het geslacht Breet die het Honig Breethuis bewoonde. Hij wees zijn nichtje Grietje Dekker-Smit aan als universeel erfgename van de familiebezittingen. Deze zijn afgebeeld op een aquarel boven de deur naar de Woonkeuken.

4. Portret van het gezin Buhk-de Jager

Het fraaie Biedermeier familieportret in olieverf stelt het gezin voor van de rumstoker Hermann Edmund Buhk (1815-1879) en zijn echtgenote Elisabeth Johanna (Anna) Albertina de Jager (1824-1886). Zij huwden in 1842 en hadden een plantage te Paramaribo, genaamd ’t Merveille. Het Tropenmuseum Amsterdam bezit een diorama van deze plantage. Hun dochtertje, Bartha Wilhelmina (Mina) completeert het gelukkige gezin. In het Gemeente-archief Zaanstad wordt een brief van 11 februari 1849 bewaard van Anna Buhk-de Jager aan haar grootvader, Evert Jansz. de Jager (1769-1855), olieslager te Koog a/d Zaan, ter gelegenheid van diens 80ste verjaardag. De brief is geschreven op fraai Biedermeier correspondentiepapier. In de Salon hangt tevens een pastelportret van Evert Jansz. De Jager rond 1815. Hij was de oudere broer van Grietje Breet-de Jager, de bewoonster van het latere museumpand.

5. Porseleinkast

Tot in de 20e eeuw was het gebruikelijk dat vrouwen op boedelveilingen hun porseleinkast aanvulden. Hoe zo’n verzameling kon zijn, blijkt uit de nalatenschap van Claasje Nan (1769-1854), weduwe van Hayo Houttuyn (1779-1844). Naast meer dan 1.000 stuks porselein liet ze tevens 3.000 kop en schotels na. Pastelportretten van het echtpaar Houttuyn hangen in het Kantoor. Naast de deur naar het kantoor staat een fraaie midden-18e-eeuwse porseleinkast opgesteld, gevuld met Chinees blauw-wit porselein uit de Kangxi-periode (1662-1722). Tijdens de bewoning van het pand door Jan Jz. Breet stond er op dezelfde plek als nu een 'notenboomhouten Porseleinkast met satijn ingelegen, op vergulden voet en kuifmedaillon met strikwerk'. Mogelijk was dit de 'extra fraye Porcelijnkast', die in 1775 was vervaardigd door meubelmaker Pieter Uylenburg. De Louis XVI-porseleinkast stamt uit het bezit van de familie Kaars-Sijpestein.

6. Staand horloge met bewegende figuren

Het Amsterdams staand horloge in de Zaankamer is vervaardigd door Jan Chris Sauer, werkzaam rond 1770. Het figuurmechaniek toont de handelsvaart voor de rede van Amsterdam. Te midden van de zeilschepen zijn ook Fortuna en Neptunus te zien. Rond het mechaniek zijn personificaties van de vier continenten afgebeeld. Deze klok behoorde toe aan de voormalige buurvrouw van het Honig Breethuis, mejuffrouw Louise Alberti (1864-1948) en stamt mogelijk uit het bezit van dr. Jan Mulder die het belendende pand op huisnummer 82 liet bouwen. Een ander staand horloge van Sauer is gedocumenteerd in de collectie van het Gemeentemuseum Den Haag. Staande horloges behoorden tot het rijke Hollandse interieur van de 18e eeuw. Jacob Cz. Breet (1778-1846) nam in 1808 voor fl 100,- ‘Een Staand Speel Horlogie’ over uit de boedel van zijn oom Arent Breet (1745-1807) zaliger. In de nalatenschap van Jan Jz. Breet (1815-1892) wordt in 1893 ‘een notenboomhouten staand horloge met speelwerk en beweegbare figuren’ verkocht.

7. Model van een tentjachtje

Jacob Cz. en Klaas Cz. Breet kochten in 1808 uit de nalatenschap van hun oom Arent Breet (1745-1807) een 18e-eeuws ‘Tentjacht met zijn toebehoren en schuitenhuis voor fl 100,- voor gemeenschappelijk gebruik’. Het tentjacht werd ook gebruikt om naar de kerk te gaan. Het werd dan gemeerd in de wegsloot aan een lange houten wal bij de kerk. Soms lagen wel zes tot acht jachten gemeerd. De familie beschikte tevens over een boeier en een boeierknecht. In de Zaankamer staat een schaalmodel van een tentjachtje. Bij de opening van de Zaanlandsche Oudheidkamer op 10 december 1940 is burgemeester A.H. van Gelderen op foto vastgelegd met het model in zijn handen. In het Scheepvaartmuseum te Amsterdam bevindt zich een laat-18e-eeuws Zaans tentjachtje.

8. Vogelkooi in de vorm van de Bullekerk

Het houden van vogels vormde een populaire liefhebberij in de biedermeiertijd. In de boedel van Jan Jz. Breet (1815-1892) kwamen maar liefst dertien vogelkooien voor. Het exemplaar in het Kantoor stelt de Bullekerk voor, vernoemd naar het beruchte 'des Stier’s Wreedheyt'. Bij dit voorval op 29 augustus 1647, werd een kind op de wereld geslingerd door een op hol geslagen stier. De Westzijderkerk te Zaandam, waar de levensvatbare boreling op 1 september van dat jaar gedoopt werd, staat sindsdien bekend als de Bullekerk.

9. Zaans interieur

Het schilderijtje uit 1849 van een Zaans interieur door G. Walch is één van de weinige voorstellingen van het Zaanse binnenhuis uit de biedermeiertijd. De smuiger of schouw met Delfts blauwe tegels vormt hierin het middelpunt. De okergele kleur van de wanden behoorde tot het traditionele kleurenpalet in de Zaanstreek. Deze kleur komt overeen met de kleurstelling in de Woonkeuken van het Honig Breethuis, waar het schilderijtje hangt. De kolomkachel is een herkenbaar element uit de vroege 19e eeuw, evenals de schikking van de stoelen langs de wanden en de stoffering met biezen matten en rolgordijntjes. Een vergelijkbare kachel staat in het huis opgesteld voor de schoorsteennis in de Zaankamer.

10. Schuilende koeien

In de eerste week van februari 1825 veroorzaakte een westerstorm een hevige watersnood. Overal dreef dood vee, hout en olie. Onder meer ter hoogte van het huis van Klaas Breet was de Lagedijk ingezakt. De mensen vluchtten de zolders op en de kerken stonden vol schuilend vee. In Zaandijk deden hiertoe ook molen De Bleeke Dood en het pakhuis van Jan van Vleuten dienst. Alleen al voor Zaandijk bedroeg de schade ruim fl 12.000,- voornamelijk aan goederen en gebouwen. Evenals koning Willem I droeg Tsaar Alexander I fl 100.000,- bij voor de noodlijdenden in de Zaanstreek. Jacob en Klaas Breet maakten deel uit van de commissie voor de bedeling en toezicht van werkzaamheden. De beroemde Haagse vee- en landschapsschilder Pieter Gerardus van Os (1776-1839) maakte een studie van schuilende koeien in de Oostzijderkerk te Zaandam. Dit schilderij hangt tegenwoordig in het Honig Breethuis. Een monumentale versie van het werk werd in 1830 uitgevoerd door de Hilversummer veeschilder James de Rijk (1806-1882). Alexander I kocht een ander werk van Van Os voor zijn paleis in St. Petersburg.

11. Plan voor een witpapiermolen

In de Zaankamer van het Honig Breethuis hangen twee tekeningen die gedetailleerd de interieurs laten zien van een laat-18e-eeuwse Zaanse witpapiermolen. Ze zijn gemaakt door Jacob Cornelisz. Breet – bewoner van het huis – toen hij als ambitieuze jongeman in het familiebedrijf ging werken. Op de eerste tekening wordt getoond hoe een jonge vrouw de lompen op kwaliteit aan het sorteren is die later to papierpulp vermalen worden. Dit werkje was vaak in handen van vrouwen en (wees)kinderen. Het interieur van de pakkamer toont meerdere stadia van het pakproces. Uiteindelijk werden de vellen in stapels verpakt en voorzien van een zogeheten 'riempak', een wikkel met opdruk.